Wat doet de dermatoloog bij een trombosebeen?

De dermatoloog behandelt vooral de zwelling en de gevolgen van een trombosebeen. Dat gebeurt meestal met zwachteltherapie, gevolgd door een therapeutische elastische steunkous die de bloed- en vochtafvoer uit het been ondersteunt.

De bloedverdunnende behandeling wordt doorgaans door de internist of een andere behandelend arts bepaald. De dermatoloog controleert daarnaast de huid en het been, begeleidt de compressietherapie en beoordeelt later of u de steunkous moet blijven dragen.

Wat is een trombosebeen?

Een trombosebeen ontstaat wanneer bloed samenklontert en een stolsel vormt dat de bloedstroom in een diepe ader van het been gedeeltelijk of volledig blokkeert. Dit staat bekend als diepe veneuze trombose (DVT).

Een trombose is een bloedprop in een ader. Op dat moment kan het bloed er niet goed langs en zal het bloed omwegen zoeken. Daardoor krijgen patiënten een dik been of een dikke arm.

Omdat het bloed niet meer goed uit het been kan wegstromen, zwelt het been op. Een trombosebeen kan leiden tot een levensgevaarlijke longembolie, omdat een deel van het stolsel kan losraken en naar de longen kan reizen.

Welke klachten passen bij een trombosebeen?

Van een klein stolsel hoeft u niets te merken. Bij grotere stolsels zijn wel duidelijke klachten mogelijk: het been zwelt en doet pijn.

De huid kan strak gespannen, glanzend en rood worden. Het been kan warm aanvoelen en er kan een zwaar of gespannen gevoel ontstaan.

  • Een vrij snel optredende zwelling van één been.
  • Een zwaar gevoel of pijn in het been.
  • Een rode of juist blauwachtige verkleuring van het been.
  • Een lichte temperatuursverhoging.
  • Een strakgespannen huid van het been, die rood en glanzend is.

De pijn kan sterk lijken op spierpijn, maar ontstaat vaak eenzijdig en zonder blessure of overbelasting vooraf. Deze klachten kunnen ook wijzen op andere aandoeningen, zoals een zweepslag of een huidinfectie.

Neem bij klachten die kunnen wijzen op een trombosebeen altijd contact op met een arts.

Wanneer is er spoed nodig?

Als het stolsel groter wordt, kunnen stukjes afbreken. Die worden dan met de bloedstroom meegevoerd en kunnen op een andere plek in het lichaam weer een bloedvat verstoppen.

Als dit in de long gebeurt, heet dit een longembolie. U wordt dan kortademig. Ook kunt u pijn hebben als u zucht, hoest of diep inademt.

Heeft u kortademigheid, hoesten, pijn bij de inademing, benauwdheidsklachten of hevige pijn, meld dit dan direct aan uw behandelend arts of neem contact op met de spoedzorg.

Hoe wordt een trombosebeen vastgesteld?

Wanneer de arts een sterke verdenking heeft op een trombosebeen, wordt een echo van de beenvaten gemaakt. Met een echo kunnen we onderzoeken of er sprake is van trombose in het been.

Bij een minder hoge verdenking wordt vaak eerst bloedonderzoek verricht. Wanneer deze waarde normaal is, is er geen sprake van een trombose en is een echografisch onderzoek niet nodig.

Wanneer deze waarde verhoogd is, is er mogelijk sprake van een trombose en wordt aanvullend alsnog een echo van de beenvaten gemaakt. Een verhoogde waarde alleen is niet genoeg om de diagnose te stellen, omdat deze ook door een andere oorzaak verhoogd kan zijn, bijvoorbeeld door een recente ontsteking.

Een duplexonderzoek is een combinatie van ultrageluidsgolven en echo-onderzoek om het adersysteem van het been in beeld te krijgen. Soms wordt later opnieuw een duplexonderzoek gedaan, bijvoorbeeld als u lang klachten houdt of als de behandelaar of dermatoloog spataderen als oorzaak vermoedt.

Welke behandeling wordt gestart?

De behandeling van een trombosebeen bestaat uit antistollingsmedicatie, een steunkous met zo nodig voorafgaand zwachtelen en, indien aanwezig en mogelijk, het behandelen van de onderliggende oorzaak.

Na de diagnose wordt u meestal kort beoordeeld op de spoedeisende hulp. De internist bepaalt samen met u de behandeling.

Bloedverdunnende medicijnen

Bij de behandeling is het belangrijk om eerst te zorgen dat het stolsel niet groter wordt en dat er geen nieuwe stolsels ontstaan. U krijgt daarom bloedverdunners.

Bloedverdunnende medicijnen zorgen ervoor dat uw bloed minder snel stolt. Hierdoor wordt de trombose niet erger en wordt de kans kleiner dat een stolsel naar uw longen komt en een longembolie veroorzaakt.

Antistollingsmedicatie lost het stolsel niet op. Uw lichaam breekt het stolsel zelf af of kapselt het in. Dit duurt ongeveer drie maanden en kan enkele weken tot enkele maanden duren.

Afhankelijk van uw situatie bepaalt uw arts welk medicijn u krijgt en hoe lang u dit moet gebruiken. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de reden voor antistolling, uw nierfunctie en andere medicijnen die u gebruikt.

Soort medicijnVoorbeeldenBelangrijk aandachtspunt
Directe orale anticoagulantia (DOAC)Apixaban, Dabigatran, Edoxaban, RivaroxabanIedere dag op hetzelfde tijdstip innemen.
Vitamine K-antagonisten (VKA)Acenocoumarol, FenprocoumonControle door de trombosedienst en aanpassing van de dosering.
Laagmoleculaire gewichtsheparines (LMWH)Tinzaparine, Nadroparine, EnoxaparineToediening via injecties.

DOAC’s werken door rechtstreeks het stollingseiwit in uw bloed te remmen. Het is belangrijk dat het medicijn iedere dag op hetzelfde tijdstip wordt ingenomen.

Bij een coumarine komt u onder controle van de trombosedienst. Omdat de werking van deze bloedverdunner pas na enige dagen optimaal is, krijgt u de eerste dagen uw bloedverdunners via een injectie.

Door het gebruik van bloedverdunnende medicijnen heeft u een grotere kans op bloedingen. Ontstekingsremmende pijnstillers zoals Diclofenac en Ibuprofen hebben ook een bloedverdunnend effect; daarom wordt het gebruik van dergelijke middelen afgeraden.

Paracetamol is een pijnstiller die u wel kunt gebruiken. Vertel andere artsen en uw tandarts dat u bloedverdunnende medicijnen gebruikt voordat zij een ingreep of onderzoek uitvoeren.

Het is erg belangrijk dat u de antistollingsmedicatie dagelijks en volgens voorschrift inneemt. Als uw medicijnen op zijn, wacht dan niet met het aanvragen van een nieuw recept.

Wat doet de dermatoloog met zwachtelen?

Een trombosebeen kan flink dik worden doordat het bloed niet meer goed terugstroomt naar het hart. Hierdoor kan veel vocht in het been ontstaan.

De dermatoloog of een gespecialiseerde verpleegkundige zwachtelt het been om de zwelling te verminderen. Door de druk van buitenaf wordt de afvoer van bloed en vocht ondersteund.

Deze behandeling zorgt dat de kuitspier beter pompt. Het vocht wordt vanuit het been weer in de bloedbaan opgenomen, waardoor de zwelling minder wordt.

Het zwachtelen gebeurt op de polikliniek Dermatologie. Soms wordt het been twee keer per week gezwachteld totdat de zwelling voldoende is afgenomen.

Als uw been goed is afgeslankt, wordt een therapeutische elastische kous aangemeten. Zolang u de steunkous nog niet heeft, draagt u een zwachtel om het been.

Waarom is een steunkous nodig?

Bij een trombosebeen is een deel van de hoofdader van het been afgesloten door een bloedstolsel. Het bloed komt via de slagader nog wel in het been, maar kan er niet meer goed uit.

De zwelling kan worden tegengegaan door druk van buiten. Dit gebeurt door zwachteltherapie en door het dragen van een elastische kous.

Gelukkig is het been voor de afvoer van bloed en vocht niet helemaal afhankelijk van het diepe adersysteem. Er zijn ook veel oppervlakkige aders waarlangs het bloed kan worden afgevoerd. De kous ondersteunt dit proces.

De steunkous verhoogt de druk in de ader, waardoor het bloed beter naar het hart terugstroomt en minder vocht in het been achterblijft.

De kous vermindert de zwelling in het begin en helpt op de lange termijn restklachten zoals een moe en zwaar gevoel, spataderen of moeilijk genezende wonden te voorkomen.

Hoe wordt de steunkous aangemeten?

De steunkous wordt speciaal voor u besteld en meestal op maat gemaakt. Als het been bijna niet gezwollen is, kan de kous direct worden aangemeten.

Als het been nog gezwollen is, wordt eerst gezwachteld. Zodra de zwelling voor zover mogelijk verdwenen is, wordt de steunkous aangemeten.

Meestal is een korte kous voldoende. Die komt tot de knie. Als de trombose hoog in het been zat, kan een lange kous tot aan de lies nodig zijn.

De dermatoloog bepaalt of u een lange of een korte steunkous nodig heeft.

Wanneer en hoe lang moet u de steunkous dragen?

Het is belangrijk dat u de steunkous overdag altijd draagt, ook bij warm weer en tijdens de vakantie. Als u gaat slapen, mag u de kous uittrekken.

Hoe lang u de steunkous moet blijven dragen, hangt af van uw klachten en van de beoordeling van uw been en huid. Meestal duurt dit zes maanden, maar soms ook twee jaar of zelfs uw hele leven.

In andere behandeltrajecten wordt de steunkous minimaal één jaar overdag gedragen. Na een jaar kan de dermatoloog met behulp van een echo- of duplexonderzoek beoordelen of het nodig is de kous langer te dragen.

Na ongeveer zes maanden wordt u voor controle teruggezien op de polikliniek Dermatologie. Dan wordt gekeken of u de steunkous moet blijven dragen.

Soms kunt u vóór de controle al een deel van de dag uw steunkous uitlaten, of een hele dag als dat goed is gegaan. Bespreek tijdens de afspraak wat dit met uw been deed.

Wat doet de dermatoloog tijdens de controle?

Op het controle- of trombosespreekuur bespreekt de dermatoloog uw klachten en wordt uw been beoordeeld.

Op basis van uw klachten en het beoordelen van uw huid bekijken we of het voor u zinvol is de steunkous nog langer te dragen.

De dermatoloog let onder meer op aanhoudende zwelling, pijn, een zwaar of moe gevoel, huidverkleuringen, spataderen, eczeem en wonden.

Soms wordt ter controle een duplexonderzoek gedaan. Daarmee kan het adersysteem van het been opnieuw in beeld worden gebracht.

Wat kunt u zelf doen tijdens het herstel?

Hoewel het lopen de eerste dagen vaak pijn doet, mag dit wel. Overbelast uw been alleen niet.

In het begin is het belangrijk om, als u zit, het been wat hoger te leggen. Als het been pijn doet of opzwelt, kunt u rust nemen en het been bijvoorbeeld op een stoel leggen.

U kunt zorgen dat het bloed beter doorstroomt door met uw enkel te draaien en uw tenen naar u toe te trekken. Hierdoor gaat het vocht makkelijker uit het been.

Voorkom lang stilstaan. Langdurig zitten en staan moeten regelmatig worden afgewisseld met lopen.

Wandelen, fietsen, hardlopen en zwemmen zijn gezonde sporten, ook als u een trombosebeen heeft gehad. Meestal sport u zonder de steunkous.

Bewegen van het been is door de antistollingsmedicatie niet gevaarlijk. U mag sporten, maar het kan wel zo zijn dat u sneller blauwe plekken krijgt bij stoten.

  • Draag elke dag uw steunkous.
  • Sta niet te lang stil.
  • Til geen zware dingen zolang het been nog pijnlijk of gezwollen is.
  • Beweeg binnen de pijngrens.
  • Leg het been hoger wanneer de zwelling toeneemt.
  • Vermijd knellende kledingstukken.
  • Zorg voor gemakkelijk schoeisel.

De eerste dagen moet u geen dingen doen waarbij u zich lichamelijk erg moet inspannen. Blijf zoveel mogelijk in en om huis tot uw eerste bezoek aan de dermatoloog.

Kan het been tijdelijk weer dikker worden?

Mijn been wordt weer dikker als ik veel inspanning verricht. Dat kan kloppen.

Als het been veel gebruikt wordt, gaat er meer bloed naartoe. Omdat de terugvloed van het bloed richting het hart door de trombose nog wat gehinderd wordt, kan het been tijdelijk dikker worden.

Houd het been daarom hoger. Dan zal de zwelling weer afnemen. Na verloop van tijd zal dit minder worden.

Wat zijn de gevolgen op langere termijn?

Een stolsel dat in het been is ontstaan kan de kleppen in de beenader beschadigen. Hierdoor stroomt het bloed minder goed uit het been terug naar het hart.

Het been blijft dan dikker en kan pijnlijk, moe of zwaar aanvoelen. Later kunnen spataderen, eczeem, huidverkleuringen of een dunne, glanzende huid ontstaan.

De medische term hiervoor is posttrombotisch syndroom (PTS). PTS is een chronische aandoening waarbij de klepjes in de aderen door het bloedstolsel zijn beschadigd.

Door beschadigde klepjes kan bloed gemakkelijker terugstromen. Hierdoor neemt de druk op de kleine haarvaatjes toe en kan het bloed in gedeelten van de ader blijven staan.

Na een trombosebeen houdt een deel van de patiënten klachten aan het been. Bij een deel van de patiënten kan op langere termijn een open been ontstaan: een wond aan het onderbeen die niet of moeizaam geneest.

Hoe wordt het posttrombotisch syndroom vastgesteld?

De diagnose PTS wordt gesteld op basis van de huidverschijnselen en de voorgeschiedenis van een eerder doorgemaakte trombose.

Verder kan een PTS worden onderzocht door middel van een duplexonderzoek. Dit onderzoek brengt het adersysteem van het been in beeld.

De klachten die bij PTS passen zijn:

  • Een zwaar, moe gevoel of kramp rond de eerdere trombose.
  • Vochtophoping, die meestal in de loop van de dag toeneemt.
  • Eczeem.
  • Spataderen.
  • Een dunne, glanzende huid.
  • Verkleuringen van de huid.
  • Moeilijk genezende wonden of een open been.

Door de steunkous trouw te dragen, verkleint u de kans op deze vervelende complicatie.

Wat doet de dermatoloog bij een open been?

Een open been is een wond aan het onderbeen die niet of moeizaam geneest. Als een afwijking in het afvoerende aderlijke systeem de oorzaak is, behandelt de dermatoloog het been en de wond.

Het belangrijkste doel van de behandeling bij de dermatoloog is de bloedafvoer vanuit het been naar het hart te verbeteren.

Door een drukverband om het onderbeen aan te leggen, stroomt het bloed beter terug in de richting van het hart. De druk is het grootst bij de enkel en neemt richting de knie geleidelijk af.

Aan het eind van de behandeling, als de wond bijna dicht is, meet een bandagist een elastische kous aan. Deze kous moet de patiënt altijd blijven dragen.

Als er opnieuw een wond aan het been ontstaat, ga dan zo spoedig mogelijk naar de huisarts of maak een afspraak voor het eerstvolgende spreekuur. Zonder behandeling genezen deze wonden bijna nooit.

Wanneer moet u contact opnemen met uw behandelaar?

Neem contact op met uw behandelaar als uw klachten aanhouden of erger worden. Meld ook nieuwe of toenemende zwelling, hevige pijn, een bloeding of problemen met de steunkous.

Neem direct contact op met een arts bij kortademigheid, hoesten, pijn bij het inademen, benauwdheidsklachten of pijn tussen de schouderbladen.

Door de antistollingsmedicatie kan de menstruatie heftiger worden. Als de menstruatie te hevig wordt, bespreek dit dan tijdens het volgende polikliniekbezoek.

Vertel bij iedere medische ingreep of ieder onderzoek aan de arts of tandarts dat u bloedverdunnende medicijnen gebruikt.

Mag u vliegen met een trombosebeen?

Nu u antistollingsmedicatie gebruikt, mag u zonder problemen vliegen. Het been kan tijdens de vlucht wel wat dikker worden.

Door de steunkous te gebruiken kunt u daar minder last van hebben. Beweging en het vermijden van langdurig stilzitten blijven belangrijk.

Welke controles volgen na de diagnose?

Na twee tot vier weken wordt u meestal teruggezien op de polikliniek Interne Geneeskunde. De internist bespreekt hoe lang u bloedverdunners moet gebruiken en beoordeelt of verder onderzoek nodig is.

Na drie tot vier weken kan bloedonderzoek worden verricht om te beoordelen of de behandeling goed effect heeft en of er een oorzaak voor de trombose te vinden is.

Na ongeveer drie maanden wordt soms opnieuw een echo van de beenvaten gemaakt om een goede keuze te maken over stoppen of doorgaan met de medicijnen.

Na ongeveer zes maanden wordt u voor controle teruggezien op de polikliniek Dermatologie om de klachten, de huid en het gebruik van de steunkous te beoordelen.

Dermatoloog meet steunkous bij trombosebeen

tags: #wat #doet #de #dermatoloog #bij #een